26 en 27-9 - dag 7-8 Samosir - het eiland van de Bataktradities

Binnen het kratermeer ligt dus het eiland Samosir; een mooie toeristische bestemming met diverse leuke attracties. Omdat het eiland op ongeveer 900 meter hoogte ligt; is het er overdag en 's nachts lekker koel. Er waait meestal een prettig windje waardoor het een fijne afwisseling is op de diverse snikhete bestemmingen binnen IndonesiŰ. Met de veerboot vanuit Parapat kom je meestal aan in Tomok, het meest toeristische dorp. Wij werden met de boot direct naar ons hotel in Tuk Tuk gebracht, een kilometer of 7 daar vandaan. Tuk Tuk is een toeristisch dorp op een schiereiland dat vast zit aan Samosir en bestaat grotendeels uit kleine hotels en veel restaurantjes (warung) waar je de oude volksliedjes van de Batakkers (ture ture) soms nog kunt horen.

We hadden twee dagen vrij te besteden. Het idee was om de eerste dag te gaan fietsen over het eiland, en dan de tweede dag een excursie te maken langs de bekende attracties. Omdat fietsen voor Tonni te moeilijk was gingen Jan en Tonni met enkele andere Tuk Tuk te voet verkennen. Wij gingen fietsen huren in de buurt, maar dat bleken onhandige mountainbikes die we na enkele pogingen maar gingen omruilen voor scooters - veel te gevaarlijk volgens onze reisbegeleider. Met de scooter gingen we door Tuk Tuk, kwamen vanzelf langs Ambarita en sloegen de weg in naar Simanindo. Onderweg hadden we prachtige uitzichten op het meer, en kwamen langs diverse traditionele huizen. Uiteindelijk kwamen we bij het museum van Simanindo, zagen daar hoe het zat met de dansvoorstellingen (die was al afgelopen) en besloten er de volgende dag bijtijds - per scooter - heen te gaan. We reden nog een eindje door, maar het landschap werd minder mooi dus keerden we en gingen in het restaurantje tegenover het museum eten op aanraden van een Oostenrijkse gids die daar met gasten zat. Het was inderdaad lekker, en niet duur, maar de beloofde en geroemde soep was op. Die was er wel de volgende dag. Klik hier voor de volledige route.

Het was een lange weg terug, we kwamen vanaf de andere kant Tuk Tuk weer binnen en leverden rond half vijf de scooter weer in maar reserveerden ze weer voor de volgende dag. 's Avonds gingen we op aanraden van Jan naar het leuke restaurant dat ze 's middags waren tegengekomen: Elios. Omdat de bediening in het restaurant van ons eigen hotel, de avond daarvoor, niet best was - lang wachten, bestellingen kwamen niet aan - ging de hele groep mee. We namen het aanbod aan voor een compleet menu. Er was ons beloofd dat er ook levende muziek zou zijn, en dat klopte. Na het eten zong de eigenaresse voor ons - begeleid door de kok op gitaar, onder andere het lied 'Lissoi'. Dit lied, gezongen door de (hele) groep Elios staat op Youtube, zie ook de zang in het restaurant en lees het verhaal uit 2008 om ze naar Nederland te halen. Een demo horen? klik hier voor het lied Boasama.

De tweede dag was dus voor de culturele aspecten op het eiland. Zes mensen van de groep gingen per auto, de rest per scooter. Allereerst gingen we naar de dansvoorstelling op het plein van het oude batakdorp in Simanendo. Aan de ene klant van dat plein staan enkele huizen van de stam - met nu in het midden het orkestje, aan de andere kant de rijstschuren - met nu de tribunes. We waren ruim op tijd en konden dus de overige bezienswaardigheden, zoals een lange boot met veel houtsnijwerk en de oude graftombes uitgebreid bekijken, en het museumhuis zelf.

Vervolgens gingen we verder langs de kust naar een weversdorp. De naam en locatie waren maar zeer summier uitgelegd, dus moesten we overal vragen en werden eigenlijk nergens veel wijzer. Uiteindelijk vonden we het toch: een groepje huizen, verscholen achter hoge bomen langs de zijweg die men ons inderdaad geduid had. Veel bijzonders was het overigens ook niet, maar er waren inderdaad bij een stuk of 5 huizen mensen aan het weven (sarongs).

Het was nog een heel eind van Simanindo, en het dreigde steeds te gaan regenen. uiteindelijk bleef het bij wat spatten, maar we reden wel in fladderend plastic rond om ons enigszins te beschermen. We aten weer in het restaurantje in Simanindo. Eerst werd verteld dat we er niets meer konden eten, maar uiteindelijk bleek men wel verse soep te willen maken. Dat kwam goed uit, want daar kwamen we juist voor!

 

De volgende bezienswaardigheid was het gerechtshof in Ambarita, en vandaar reden we naar de koningsgraven in Tomok - maar daar was weinig aan. De drukke markt waar we op de scooter doorheen reden was leuker. Uiteindelijk waren we rond vijf uur weer terug bij het hotel, na nog wat souvenirs (tas) gekocht te hebben. 's Avonds hebben wij in het hotel gegeten (matig), de rest ging weer naar Elios.

Hieronder de beschrijving van de bezienswaardigheden en iets over de cultuur.

Batakkers: afkomst en cultuur

Samosir wordt bewoond door de Toba Batak. Tot aan het begin van deze eeuw waren ze koppensnellers en kannibalen en ook nu nog kent hun dagelijks leven vele animistische trekjes. Verspreid over het eiland staan 'huisjes voor altijd', waarin de beenderen van overleden familieleden worden bewaard.  De Batakkers, een van de grote inheemse volken van het Sumatraanse hoogland, bevolken het vruchtbare vulkanisch plateau ten zuiden van Medan, dat een groot deel van het noordelijk deel van Midden-Sumatra beslaat. In het hart van dit gebied ligt het prachtige Tobameer, in een gigantische caldera met een oppervlakte van ongeveer 2100 km2. In het meer ligt dus Samosir (dat ongeveer even groot is als Singapore). Het op 900 m boven de zeespiegel gelegen, 450 m diepe kratermeer is ontstaan tijdens een grote prehistorische vulkaanuitbarsting.

De hooglanden rond het Tobameer vormen het woongebied van meer dan drie miljoen leden van de zes belangrijkste Batakstammen. Het plateau strekt zich van noord naar zuid uit over een afstand van meer dan 500 km, en ter hoogte van het Tobameer is het circa 150km breed. De stammen (Toba, Karo, Pakpak, Simalun gun, Angkola en Mandailing) hebben elk hun eigen dialect, gewoonten en bouwstijl.
De Batakkers zijn meer dan 1500 jaar geleden naar Sumatra getrokken vanuit de voorgebergten van de Himalaya in het noorden van Birma en Thailand. Toen ze in contact kwamen met langs de kust levende volken, namen ze van hen de natte rijstbouw, de ploeg, waterbuffels, het gebruik van katoen en het spinnewiel, het Sanskriet en een panthe´stische religie over.

De Batakkers zaten ingeklemd tussen twee fanatieke islamitische volken: de AtjeeŰrs (in het noordwesten) en de Minangkabauers (in het zuidoosten). De ge´soleerd in het hoogland levende Batakkers behielden hun animistische geloof en kannibalistische gewoonten tot het midden van de 19e eeuw. Vanaf die tijd werden veel Batakkers door Duitse en Nederlandse missionarissen tot een mystieke vorm van het christendom bekeerd. De noordelijke Batakkers zijn nog steeds animisten, terwijl de zuidelijke Batakkers - met name de Mandailing - islamieten zijn. De traditionele adaten gebruiken van vroeger worden nog steeds in ere gehouden. Op de begraafplaatsen van de Batakkers staan stenen voorouderbeelden; hun sjamanen communiceren met de geesten en hun priesters raadplegen astrologische tabellen om voor de stam beslissingen te nemen.

De Nederlanders die de Batakkers in dit afgelegen gebied 'ontdekten', bestempelden hen als primitieve kannibalen die al eeuwenlang ge´soleerd van de rest van de wereld leefden. Maar de Batakkers waren allesbehalve primitief. In werkelijkheid waren ze ontwikkelde en gevestigde landbouwers, die verschillende ambachten uitoefenden, kalenders kenden en kosmologische teksten schreven in een Indisch alfabet. Aan de zuidrand van het plateau zijn boeddhistische stoepa's ontdekt die dateren van tussen de heen 14e eeuw.

De huizen van de Batakkers zijn grote houten bouwwerken op palen, met hoge daken die qua vorm doen denken aan een boot of een zeil. De huizen zijn doorgaans ongeveer 18 m lang en worden zonder spijkers, met touw en houten wiggen gebouwd. Ze zijn zo stevig gebouwd dat ze meer dan een eeuw meegaan. De daken zijn aan de uiteinden hoger dan in het midden en waren oorspronkelijk bedekt met natuurlijke materialen. De uiteinden van de gevels zijn versierd met moza´eken met mystieke patronen en houtsnijwerk van mythische wezens. De traditionele huizen van de Batakkers bieden onderdak aan tien tot twaalf gezinnen, die in afgescheiden vertrekken wonen rond een centrale gang en vier kookplaatsen, waar de mensen werken, spelen, eten koken en elkaar bezoeken.

Een Batakclan (marga) bestaat uit diverse gemeenschappen (huta) die allemaal van dezelfde voorvader afstammen. De familiebanden zijn bijzonder sterk en zo worden huwelijksfeesten en begrafenissen niet zelden door duizenden verwanten bezocht. Stambomen, die soms meer dan vijfhonderd jaar teruggaan, worden zorgvuldig bijgehouden.
De Batakkers zijn begaafde muzikanten en zijn befaamd om hun krachtige vertolking van kerkgezangen. Hun muziekinstrumenten bestaan uit gongs en drums, een tweesnarige mandoline en een blaasinstrument dat als een klarinet klinkt.

Ambarita: gerechtshof

Ambarita ligt op ongeveer 10 minuten rijden per brommer ten noorden van Tuk Tuk. Het kleine dorp was voorheen de plek waar de Batak Toba koning woonde. Het is verder vooral bekend vanwege het kannibalisme dat hier tot de ver in de 19e eeuw werd uitgevoerd. De eerste koning was Laga Siallagan. De diverse Toba Batak stammen hadden onderling veel strijd. De Batak stammen waren eigenlijk altijd bezig met overleven en overwinnen, het voeren van strijd stond centraal in hun tradities. Je kunt een van de traditionele Batak woningen van binnen bekijken, de gids geeft er een mooie uitleg bij. Enkele afstammelingen van de Toba Bataks wonen nog steeds in de traditionele woningen op het terrein, maar hun woning is wel 'geupgrade'. In het openluchtmuseum staan ook enkele groepen bijzondere stenen (megalieten). De eerste groep is beroemd vanwege de 300 jaar oude stenen zetels en de graftombe van Laga Siallagan, de eerste radja van Ambarita. Wanneer in Ambarita een vijand gevangen was genomen, werden de radja's van naburige plaatsen uitgenodigd voor een vergadering in dit op een heuveltop gelegen complex. Vervolgens ging men verder naar een tweede groep megalieten in de vorm van grote stenen zetels. De radja's en dorpshoofden namen plaats, waarna het lot van de gevangene werd bezegeld. Iets verderop ligt het derde complex, waar een unieke 'ontbijttafel' staat. Hier werd de onfortuinlijke gevangene doodgeslagen, onthoofd en op een platte steen in stukken gehakt. De stukken werden samen met buffelvlees gekookt voor het ontbijt van de radja, die er bloed bij dronk.

Vlak naast deze executieplaats staat het gebouw met de onvermijdelijke souvenirstalletjes met soms opdringerige verkopers (het was er niet druk toen wij er waren).

Tomok: graf van Koning Sidabutar

In het dorp Tomok (op 10 minuten per brommer vanaf Tuk Tuk) ligt de graven van de Koningen van de Sidabutar stam. De Sidabutar stam is vooral bekend vanwege hun koning Ompu Soribuntu die de drie Batak geboden introduceerde. Zijn graf vind je in het centrum van het dorp. Ook de graven van de latere koningen vind je hier, onder andere de graven van Ompu Ni Ujung Barita Sidabutar en Ompu Solompoan Sidabutar.  In een afgesloten ruimte tegenover de bootvormige graftombe staan rituele beelden van het offeren van een buffet. In het nabijgelegen huis van de koning is een klein museum ingericht, dat wordt onderhouden door een eerbiedwaardige oude aristocraat.  Het was een hele kunst om deze graven te vinden. Je moest eerst door een woud van kramen met T-shirts en andere 'souveniers' heen.

Simanindo: museum en traditionele dansvoorstelling

Op de noordpunt van Samosir ligt Simanindo, 30 km van Ambarita en 40 van Tuk Tuk. In het dorp staat een groot gerestaureerd huis van een vroegere vorst waarin nu een traditioneel Batakmuseum is gevestigd. Het huis is te herkennen aan buffelhoorns aan de voorkant (een voor elke generatie).  Daarnaast een (klein) Batakdorp met drie huizen en enkele rijstschuren aan een plein, waar traditionele dansen worden opgevoerd.

De volgende etappe op onze reis is Sipirok, een reis van 176 km.

Terug naar het overzicht