Benoeming tot voogd 1904 E. van Heerde over zus Derkje van Heerde

Extract uit de minuten berustende ter griffie van het kantongerecht te Zwolle.

Heden, den 22sten November 1904 zijn voor ons meester Hendrik Gerhard Jordens, kantonrechter in het kanton Zwolle, bijgestaand door en griffier meester Frederik Alexander baron van Ittersum, verschenen: 

  1. Egbert van Heerde Hendrikszoon, smid wonende te Ambt-Vollenhove, broeder van na te noemen minderjarige, 
  2. Theodorus van Heerde, beurtschipper van Vollenhove op Zwolle, oom van vaderszijde, 
  3. Jacob de Vries, schoonmaker, zwager, en 
  4. Jan Driegen Janszoon, bakker, achterneef van na te melden minderjarige, 

alle laatsten wonende te Stad-Vollenhove, te kennen gevende, dat uit het huwelijk van Hendrik van Heerde met Johanna Maria van Smirren, gewoond hebbende te Ambt-Vollenhove en aldaar overleden eerstgenoemde den 28sten October 1904 en laatstgenoemde de eerste Mei 1897, één alsnog minderjarig kind in leven is, met name Derkje van Heerde, oud 21 jaren, over wie toeziend voogd is Teunis Spit Evertzoon, timmerman te Stad-Vollenhove en ons verzoekende over die minderjarige een voogd te benoemen, na hen comparanten als zijnde vier der naaste bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarige over die benoeming te hebben gehoord.

Aan dat verzoek gevolg gevende, hebben wij de comparanten gehoord en geraadpleegd omtrent den persoon, wiens benoeming tot voogd het meest met de belangens van de minderjarige zoude stroken en waren allen eenparig van oordeel dat de comparant sub 1 Egbert van Heerde Hendrikszoon daarvoor de aangewezen persoon was.

Waarop wij kantonrechter, ons verenigende met het eenparig uitgedrukt verlangen der genoemde personen, hebben benoemd, gelijk wij benoemen bij deze over het minderjarige kind gesproten uit het huwelijk van wijlen Hendrik van Heerde met Johanna Maria van Smirren, tot voogd den comparant Egbert van Heerde Hendrikszoon, smid te Ambt-Vollenhove.

De benoemde, verklaard hebbende bereid te zijn die betrekking aan te nemen, heeft daarop in handen van ons kantonrechter afgelegd den eed: "dat hij die aan hem toevertrouwde voogdij naar behoren en getrouwelijk zal waarnemen", zulks nadat hem die eed was voorgezegd, onder het opsteken der beide voorste vingers van de rechterhand, ons eerbiedig na te zeggen: "zo waarlijk helpe mij God Almachtig!". Waarvan acte.

En is opgemaakt dit proces-verbaal en door ons kantonrechter en den griffier ondertekend.